Naar het fotoboek

Onderwijsheid

Elke week schrijven wij in onze nieuwsbrief een inhoudelijk stukje over ons onderwijs. Deze week is het onderwerp:

MI

In de onderbouw wordt gewerkt met thema’s. In de bovenbouw doen we dit aan de hand van MI. De vakken aardrijkskunde, natuur en geschiedenis wordt gegeven aan de hand van het thema dat op dat moment centraal staat. MI staat voor meervoudige intelligentie.  Howard Gardner heeft meervoudige intelligentie onderverdeeld in acht intelligenties:

 

Interpersoonlijk
(samenkaart)

Houdt van contact met anderen, werkt graag samen, voelt scherp aan wat anderen bezig houdt, voelt zich prettig in groepen, houdt van gezelligheid en feestjes, is graag bereid anderen te helpen.

Intrapersoonlijk
(ik-kaart)

Stelt zich graag op de achtergrond op, leeft in een eigen wereld, houdt van dagdromen, kent eigen sterke en zwakke kanten goed, neemt scherp waar wat er gebeurt, schrijft een dagboek, heeft gevoel voor reflectie, poëzie.

Lichamelijk-motorisch
(doe-kaart)

Reageert meestal met trefzekere bewegingen, heeft sterk gevoel voor gebruik eigen lichaam, kent fijne motoriek, sleutelt of knutselt graag, leert gemakkelijk iets door te doen of te spelen.

Logisch-mathematisch
(rekenkaart)

Ordent graag informatie, speelt graag met cijfers, overweegt bij het oplossen van problemen, redeneert logisch, denkt kritisch.

Muzikaal-ritmisch
(muziekkaart)

Pikt snel melodietjes op, speelt graag een muziekinstrument, werkt met ezelsbruggetjes en rijmpjes om iets te onthouden, heeft een sterk gevoelvoor ritme, stijl in stemgebruik, vertelt boeiend.

Natuurgericht
(natuurkaart)

Is gefascineerd door alles wat groeit en bloeit, herkent snel kenmerken van plant en dier, observeert en verklaart graag veranderingen in de natuur, leert gemakkelijk door waarnemingen buiten, kan goed verzamelen en ordenen, gaat graag met dieren om.

Verbaal-linguïstisch
(taalkaart)

Denkt in woorden, formuleert gemakkelijk, kan gemakkelijk ideeën onder woorden brengen, leest snel en met inzicht, kan goed argumenteren.

Visueel-ruimtelijk
(kijkkaart)

Neemt de werkelijkheid waar via ruimte en kleuren, heeft gevoel voor kleurnuances, tekent vaak figuurtjes of maakt krabbels, experimenteert met schetsen of ontwerpen, kan zich snel oriënteren in gebouwen, wijken.


Kinderen zijn op meerdere manieren intelligent en leren dus op meerdere manieren. Aan het begin van een thema maken de kinderen kennis met de vragen die zij aan het eind van de periode moeten kunnen beantwoorden. Om antwoord te vinden op deze vragen kunnen kinderen aan het werk met de MI kaarten. De kinderen leren op deze manier via verschillende wegen, de antwoorden op de vragen. Kinderen zijn zelf bezig met het verkrijgen van deze antwoorden in plaats van dat de leerkracht alles verteld. Dit zorgt ervoor dat de stof beter blijft hangen en kinderen bezig zijn met het ontwikkelen van de verschillende intelligenties. 

PBS

Het is alweer een tijdje geleden dat we bericht hebben over ons PBS project, maar we hebben in de tussentijd beslist niet stil gezeten.

Achter de schermen is er hard gewerkt om vorm te geven aan alle ideeën en de volgende stappen te zetten. Vanuit de waarden die wij belangrijk vinden, hadden we al gedragsverwachtingen geformuleerd en deze wilden we visueel maken.

Sinds afgelopen week staan/hangen er enkele rode fotolijstjes in de school. Op de foto is zichtbaar hoe goed gedrag er in die ruimte uitziet en daaronder staan ook de gedragsverwachtingen beschreven. Er zullen steeds meer van dit soort lijstjes komen, maar alleen visualiseren is niet voldoende. Alle leerkrachten hebben ook gedragslessen ontwikkeld, waarmee we aan de slag zijn gegaan. Afgelopen week stond in het teken van het lopen in de hal en gang en de komende weken zullen ook de gedragsverwachtingen in andere ruimtes op deze manier aan bod komen.

De visualisatie van de gedragsverwachtingen en de gedragslessen zijn voor de kinderen en u als ouders het meest zichtbare onderdeel van PBS. We zijn ook bezig met ‘het vullen van emmertjes’, de reactieprocedure en nadenken over belonen van goed gedrag, om maar wat te noemen.

Nieuwsgierig? Kom dan vooral naar de eerstvolgende informatieve ouderavond over PBS! U krijgt hiervoor te zijner tijd een uitnodiging.

Rots en Water

In groep 7 beginnen we binnenkort weer met Rots en Water. Wat is dat precies en wat is de reden dat we dit de kinderen aanbieden? Rots en Water kan gezien worden als een weerbaarheidsprogramma. Kinderen leren op welke wijze ze zich kunnen verdedigen in een noodsituatie, maar wat belangrijker is, de kinderen leren ook verschillen in lichaamstaal te herkennen en naar hun eigen gevoel te luisteren.  

We proberen de kinderen bewust te maken van het feit dat je op verschillende manieren in een situatie kunt reageren. Een kind kan er voor kiezen een harde, onwrikbare houding aan te nemen (rots) of juist een meer een beweeglijke, verbindende houding (water). Soms heb je het ene nodig en soms het andere, het doel is dat de kinderen dit onderscheid kunnen maken.  

We leren de kinderen wat het verschil is tussen een noodsituatie en gedoe op het plein, maar ook dat je in die situaties verschillend moet handelen. Erg belangrijk is het aanvoelen wanneer een situatie niet meer klopt. We oefenen dit met het herkennen van een "ja- nee- en twijfelgevoel". De regel die er bij hoort is dat bij een nee-, of twijfelgevoel je altijd nee moet zeggen (of doen).  

Waarom in groep 7? We geven deze groep de lessen als voorbereiding op het voortgezet onderwijs. De kinderen hebben dan nog een jaar de tijd om te oefenen met Rots en Water en zich het meer eigen te maken. Als de kinderen uiteindelijk naar het voortgezet onderwijs gaan, zijn ze zich bewust van hun lichaamstaal en de uitstraling die erbij hoort. We eindigen het programma met een examen. Dit bestaat uit een schriftelijk deel en een praktijk deel. Bij het praktijkdeel zijn ouders van harte welkom om te zien wat hun kind heeft geleerd.  

Van foto naar film

De afgelopen week is de CITO Eindtoets afgenomen in groep 8. Net als voorgaande jaren  doken de media er weer massaal op. 

De CITO Eindtoets wordt afgeschilderd als het "eindexamen" van de basisschool. De kwaliteit van de Basisscholen wordt door de Inspectie beoordeeld door te kijken naar de gemiddelde scores. 

Het doel van de toets is uit het oog verloren: de CITO Eindtoets is in het leven geroepen om een objectief beeld te geven op welk niveau de kinderen van groep 8 kunnen uitstromen richting het Voortgezet Onderwijs.

Tegenwoordig is het uitstroomniveau in de meeste gevallen al bekend voordat de CITO-eindtoets gemaakt wordt. Omdat we gebruik maken van het Ontwikkelingsperspectief, zijn we in staat om al in groep 6 een voorspelling te doen op welk niveau het kind in groep 8 kan uitstromen.

Het ontwikkelingsperspectief (OPP) wordt aan de hand van de Niet Schoolse Cognitieve Capaciteiten Toets en de toetsgegevens uit het Leerlingvolgsysteem berekend.

Werken met een OPP draagt bij aan het maken van een omslag in het onderwijs. Met behulp van het OPP is een school in staat om het onderwijs voor de kinderen veel doelgerichter te plannen. Dit geeft leerlingen veel beter de kans zich optimaal te ontwikkelen en hun talenten optimaal te benutten.

Het eindadvies alleen maar baseren op de uitslag van de CITO eindtoets is te vergelijken met het nemen van een foto van groep 8 op een specifiek moment. Wij willen juist gebruik maken van alle op school beschikbare gegevens, verzameld gedurende de basisschooljaren van het kind en verwerkt in een OPP. Vergelijk dat laatste maar met een film.

Het OPP is een planinstrument voor de leerkracht. Een school die “plannend” in plaats van “volgend” werkt, beantwoordt niet langer de vraag: “Tot waar is de leerling aan het einde van groep 8 gekomen?”, maar de vraag: “Zitten we op de juiste koers en hebben we op het juiste niveau ingezet?".

Het gebruik en de praktische uitwerking van het OPP bij ons op school is nog volop in ontwikkeling. We zitten met z’n allen nog midden in de film en zijn heel benieuwd hoe het einde zal zijn.

Informatieverwerking / studievaardigheden

Om efficiënt en effectief te studeren zijn studievaardigheden van groot belang. Daarom is het belangrijk dat de kinderen leren  om teksten samen te vatten, informatie te vinden, kaart te lezen en uit de voeten  kunnen met schema’s, tabellen en grafieken.

In veel vakken worden deze vaardigheden geoefend. In de rekenmethode , bij begrijpend lezen en in de Cito toetsen komen deze onderwerpen ook terug.

Hoe kunt u oefenen met uw kind? Op internet zijn er van allerlei testjes en oefeningen te vinden. In de krant staan ook regelmatig grafiekjes die u met uw kind kunt verklaren.

Hieronder volgen enkele voorbeeldoefeningen:

De AVI toets

De AVI toets is een leestoets die, vanaf groep 3,  twee keer per jaar wordt afgenomen. Met deze toets kan bekeken worden hoeveel vooruitgang
kinderen hebben geboekt met het lezen. Belangrijk is dat kinderen steeds
vlotter lezen en zo min mogelijk fouten maken.

Tijdens deze AVI toets leest een kind een kaart met een tekst erop. Door
te kijken naar het leestempo (tijd) en het aantal fout gelezen woorden
weten wij als leerkracht of het kind het betreffende leesniveau aan kan.
Een kind heeft de AVI ‘gehaald’ wanneer de tekst vlot wordt gelezen en het
aantal foutjes beperkt blijft.

Door het bepalen van het AVI niveau, weten we ook in welke boeken de
kinderen kunnen lezen. Dikwijls ligt dat één AVI niveau hoger dan het door
de leerling beheerste AVI niveau, om de kinderen uitdaging te bieden. Een
leesboek moet namelijk niet te makkelijk zijn, maar ook niet te moeilijk.

Vanaf 2009 heeft de AVI een nieuwe codering. Het begint bij AVI M3 (midden groep 3 niveau) gevolgd door AVI E3 (eind groep 3 niveau), M4, E4, M5, E5, M6, E6, M7 en E7. Na AVI E7 volgt het hoogste niveau: AVI plus. Deze aanduidingen vindt u ook terug op de boeken in de bibliotheek.